woensdag 21 oktober 2015

Commissie Corbey: Level Playing Field vereiste voor slagen duurzame bio-economie.

Recent kwam het visiedocument 'naar een duurzame bio-economie' van de commissie Corbey uit [hier te lezen]. Het gaat in op randvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor het realiseren in van een circulaire economie, waarvan de bio-economie een onderdeel uit maakt. 

 

De bio-economie is onderdeel van de circulaire economie en omvat alle sectoren van de samenleving die biomassa gebruiken, inclusief voedsel en veevoer. De biobased economy is beperkter en betreft de sectoren chemie, materialen,farma, papier/karton/hout en energie/transport waarin biomassa de fossiele grondstoffen vervangt. Het visiedocument van Corbey benadert de biobased economy in de context van de bio-economie.  

 

De commissie onderkent de belangrijke rol van de overheid en deze varieert van zeer lichte interventies, zoals monitoren, tot een duidelijke regierol waarbij de overheid faciliteert en/of gewenst gedrag stimuleert.

 

De Nederlandse overheid kan dat echter niet alleen: een transitie naar een duurzame bio-economie vereist een duidelijk duurzaamheidskader op alle niveaus: lokaal, nationaal, Europees en mondiaal. Belangrijk is dat de verschillende partijen voorbij hun eigen grenzen kijken en samenwerking tussen verschillende sectoren, overheden en departementen wordt opgepakt.

De Commissie Corbey adviseert het kabinet:

 

1. Wees ambitieus en spreek dat uit: maak duidelijk wat Nederland wil met de duurzame bio-economie en voer consistent en gefaseerd beleid gericht op de korte en langere termijn. Benut daarbij de kracht van de regio’s, van het internationale bedrijfsleven, van Europa en de potentie van mondiale afspraken.

 

2. Stuur op duurzame productie van biomassa door: één helder duurzaamheidskader voor biomassa dat als minimumstandaard wordt gebruikt voor alle productie van biomassa ongeacht de toepassing.

 

3. Stimuleer het beschikbaar maken van meer duurzame biomassa. Beschikbaarheid van duurzame biomassa is niet vanzelfsprekend. Een stevige inzet is daarom nodig, bijvoorbeeld door het stimuleren van innovatieve land- en bosbouw en het beter benutten van reststromen uit land-, tuin- en bosbouw.

 

4. Stimuleer efficiënte en effectieve benutting van biomassa. Zorg voor level playing field tussen en binnen sectoren; zorg op de korte termijn voor (tenminste) gelijkwaardige stimulering van inzet van biomassa voor materialen en chemie als voor energietoepassingen. Hef als overheid ook de zelf ingestelde ongelijkheden op. Zet in op Europese harmonisatie en inpassing binnen wereldwijde initiatieven.

 

5. Stimuleer marktontwikkeling voor duurzame biomassa en duurzame biobased producten door een toenemend deel van de consumptie te verduurzamen. Marktontwikkeling is nodig omdat duurzame producten of biobased producten vaak nu nog duurder zijn dan niet-duurzame alternatieven. De overheid kan daartoe afspraken maken met leveranciers (bijvoorbeeld in de voedselsector, de chemie, bouwmaterialen of verpakkingen) om een toenemend deel duurzaam te leveren, of zelf optreden als launching customer.

 

6. Faciliteer de duurzame bio-economie door te investeren in technologieontwikkeling en innovatie, waarbij ook oog is voor ontwikkeling van kleinschalige verwerking van biomassa. Bijvoorbeeld door meer prioriteit en budget te geven aan de bio-economie binnen het topsectorenbeleid en de onderzoeksagenda TKI Biobased Economy 2015–2027. Benadruk dat de bio-economie een integraal onderdeel is van de circulaire economie.

 

7. Monitor beleid en maak beleid responsief. Monitor de effecten van beleid actief, niet alleen statistisch en cijfermatig, maar ook door te investeren in multistakeholderdialoog (inclusief de small holders). Wees bereid beleid bij te stellen als er negatieve onbedoelde effecten blijken.

 

Bij overname door de overheid van deze aanbevelingen zal dit de komende jaren voor veel verandering in de biomassamarkt gaan zorgen. Blijft de stimulering van biomassa voor energietoepassing binnen de SDE+ op termijn gehandhaafd of komt er ook een SDM [Stimulering Duurzame Materialen]? Komen er duurzaamheidscriteria voor alle biomassatoepassingen en gaat de overheid zich nog meer opstellen als launching customer? 

 

Voor marktpartijen is het nu zeer belangrijk om een lange termijn visie met een bijbehorend duidelijk investeringsklimaat te krijgen om in ieder geval in 2050, maar nog liever al in 2030, al een groot gedeelte van een duurzame bio-economie te hebben gerealiseerd.

   ©PDL2015  De auteur kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor enige onvolledige of onjuiste informatie die middels dit artikel gevonden wordt. Gebruik van enige informatie verkregen via dit artikel is voor eigen risico van de gebruiker en eigen onderzoek of verificatie wordt aanbevolen.  

vrijdag 2 oktober 2015

Wat is nog de waarde van een Energielabel voor de consument?


De recente ontwikkelingen bij Volkswagen en Samsung lijken het topje van de ijsberg. De auto's en apparaten presteren niet zoals op het label staat vermeld. Dit kan gaan om verbruik van energie [bv. elektriciteit, brandstoffen], water of andere grondstoffen, maar ook de emissies [bv. roet, stof] van het product.


De laatste decennia werd in de wens voor een beter klimaat ingezet via de Trias Energetica: besparen, duurzame opwekking en als laatste optimaal fossiel. Om hierin de consument een duidelijke keuze te geven, worden vele producten gekwalificeerd naar klimaatimpact; dit via allerlei ingewikkelde testprotocollen, welke wel met de producenten worden afgestemd.

 

De eerste die zijn intrede deed in ons land was de APK voor auto's. In de volksmond wordt deze procedure vaak beticht van willekeur en met onnodige onderhoudskosten tot gevolg. Eind jaren '90 kwam het energielabel opzetten; dit label moet worden meegeleverd bij de verkoop van onder andere auto’s, elektrische apparaten, lampen en gebouwen.

 

Dit label gaat niet alleen over energie, maar is een maatstaf voor de consument om te zien hoe zuinig, milieuvriendelijk en/of energiebesparend het aangekochte product is. Tevens staat er vaak informatie op over de prestaties van het product en de gebruikte materialen bij de productie.

Voorbeeld van een Energielabel

Het energielabel blijkt een groot succes, voor de prestaties van de producten in ieder geval; er kwamen steeds meer [donker]groene balkjes bij en steeds meer plusjes achter de A om het onderscheid te benadrukken. Echter er blijken wat aandachtspunten te zijn:

  • Consumenten kijken vaak meer naar de prijs en feel good beleving dan het energielabel, zeker als het gaat om grotere aankopen[bv. huizen en auto's]; 

  • De Ecostand die vaak op het product wordt aangeboden, wordt nooit door de consument gebruikt: niet iedereen wacht 4 uur op een wasmachine, bij de Ecostand op een elektrische fiets voel je niets van ondersteuning en als je borden niet schoon worden in de vaatwasser kies je snel een andere stand;

  • De gebruikte testomstandigheden zijn vaak niet de gebruiksomstandigheden van de consument: in gebruikerstests komen vaak andere resultaten naar voren dan op het label staat;

  • Het energielabel blijft een onderlinge afspraak tussen producenten en overheden, waarin je moet lobbyen voor je plekje: mooi voorbeeld is het gebruik van een biomassaketel in gebouwen, dit is nog steeds niet mogelijk in het energielabel gebouwen [EPA label], terwijl er geen fossiele energie meer wordt gebruikt voor verwarming en/of elektriciteit;

     

Wat is nu nog de waarde dan van dit label voor de consument?

 

Het energielabel blijft een prima instrument voor zijn doel, het verminderen van de klimaatbelasting van producten, maar je dient het te gebruiken als een grove selectietool in plaats van een marketingtool, in combinatie met financiële prikkels, zoals het nu wordt gebruikt. Wat kan anders?:

  • Het verschil tussen A+++ en A is niet zo groot in de ogen van de consument [het blijft A], maar dat energielabel G niet goed is, dat beseft iedereen. Wellicht de normen van A tot G jaarlijks herijken zodat label G steeds beter wordt, maar Energielabel A nog steeds het beste blijft;

  • Afschaffen van de Ecostand op apparaten; het gebruiksgemak staat voorop bij het product en niet gebruiken is het zuinigste alternatief; 

  • Testen van apparaten bij normaal gebruik door de consument en vermeld alleen gegevens die nut hebben: b.v. watergebruik per jaar voor een wasmachine zegt niets over het gebruik bij de consument in zijn thuissituatie, een andere wasmachine kan minder water gebruiken bij zijn wasroutine;

  • Minimaliseer de menselijke factor bij keuring: een keurmeester keurt afhankelijk van zijn opdrachtgever, zijn kennis en zijn dag: een foutje is menselijk en iedereen is uiteindelijk beïnvloedbaar;

     

De vorm, inhoud en toepassing van het energielabel is continue in ontwikkeling en de huidige onthullingen zullen de toepasbaarheid en betrouwbaarheid van dit instrument alleen maar bevorderen.

2SPACE.NET